Bomen hoeven echt geen 100 ton stalmest

  • 18 juli 2017

Joost De Winter  teelt sier-, laan- en bosbomen in het Oost-Vlaamse Wetteren. Zo’n 150 boomsoorten heeft hij staan op in totaal 22 ha. De afzet situeert zich voornamelijk in het binnenland, slechts een klein gedeelte is bestemd voor export.

Joost is al de derde generatie De Winter die bomen kweekt. Hij heeft de stiel dus met de paplepel meegekregen. Maar, er is over de generaties heen wel heel wat veranderd. “Vandaag moeten we toch ook rekening houden met het maatschappelijk draagvlak van de teelt. Je kop in het zand steken en voortdoen zoals het vroeger was heeft geen zin. Mijn grootvader droeg klompen, ik draag botinnen”, zegt Joost ludiek. En uiteraard heeft ook teelttechnisch de evolutie niet stilgestaan.

‘Groene’ bomen telen is het uitgangspunt

Al sinds Joost zich aansloot bij het Proefcentrum voor Sierteelt (PCS), meer dan vijftien jaar geleden, gebeurt alles hier volgens het boekje. “Bemesten doen we volgens de normen, zoals het hoort. Daarvoor doe ik beroep op het CVBB, al vanaf de oprichting in 2011. Correct bemesten is geen eenvoudige klus, ik laat me daarin dan ook graag begeleiden door experten.”

Joost De Winter: “Correct bemesten is geen eenvoudige klus, ik laat me daarin dan ook graag begeleiden door experten.”

Joost wil zo ‘groen’ mogelijke bomen telen, waarmee hij bedoelt dat hij het milieu zo veel mogelijk wil sparen. Hij gaat daarin verder dan telen ‘volgens het boekje’. Hij zet heel erg in op mechanische onkruidbestrijding en gebruikt zo weinig mogelijk gewasbeschermingsmiddelen.

Groenbedekkers hebben meerdere functies

De meeste bomen staan tussen vijf en zeven jaar op het perceel, maar enkele snelle groeiers worden al na drie jaar gerooid. Een vrijgekomen perceel gaat een jaar ‘in rust’. Joost zaait er Japanse haver op om humus in de bodem te brengen. Maar ook op de beplante percelen werkt hij met groenbedekkers. Joost: “Tussen de rijen zaaien we in oktober snijrogge in. Zo kan er in de winter minder stikstof uitspoelen, en de maatregel is ook goed tegen erosie. In mei klepelen we de snijrogge, vóór hij aren vormt. Wat later werken we hem in en draagt hij mee bij aan het op peil houden van het organischestofgehalte van de bodem.”

Oktober is al rijkelijk laat om nog een groenbedekker te zaaien, maar eerder kan niet. Begin oktober wordt er immers nog een laatste keer aangeaard tegen onkruiden, en pas daarna kan de snijrogge worden gezaaid. Een groenbedekker zaaien tussen de rijen gebeurt overigens alleen het eerste en tweede jaar na aanplant. Vanaf het derde jaar zijn de bomen te groot en zou de rogge niet goed kiemen in de schaduw ervan. De snelle groeiers zoals els en berk worden dan ook al gerooid.

Altijd bemesten op basis van staalnames

De bemesting stelt Joost helemaal af op staalnames. “Meten is weten”, zegt hij. “Hoe kan je nu oordeelkundig bemesten als je niet weet wat er in de bodem zit?” Een vrijgekomen perceel krijgt 19 ton/ha stalmest en er wordt Japanse haver op gezaaid. De haver wordt in oktober geklepeld. In maart neemt Joost vervolgens een bodemstaal voor een bouwvooranalyse en stikstofanalyse. Op basis van het analyseresultaat brengt hij, indien nodig, nog eens 19 ton stalmest op. “19 ton stalmest is het maximum dat op perceelsniveau mag worden toegediend”, zegt CVBB-medewerker Dominique Van Haecke. “Je mag immers maar 55 kg P2O5/ha opbrengen op een perceel dat tot fosfaatklasse III behoort. Minder stalmest toedienen is niet evident, want dat valt moeilijk uit te spreiden over een hectare.”

Joost De Winter: “Ik ben een atypische boomkweker. Ik zie niet in waarom je in één keer stalmest zou opbrengen voor zes à zeven jaar.

Na de aanplant wordt er het eerste jaar niet meer bijbemest. Soms past Joost begin juli nog een bladbemesting toe, maar alleen als het blad wat geel staat. Het tweede jaar wordt na de winter kalkcyanamide in de rijen gestrooid, in een sleufje dicht bij de wortels, en onmiddellijk ondergewerkt. De soorten die langer op het perceel staan kunnen het derde jaar ook nog dergelijke rijenbemesting krijgen, maar altijd op basis van een stikstofstaal. Vanaf het vierde jaar werkt Joost nog uitsluitend met bladvoeding.

“Ik ben een atypische boomkweker. Ik zie niet in waarom je in één keer stalmest zou opbrengen voor zes à zeven jaar. Op ons bedrijf geen 100 ton stalmest/ha. Dat heeft geen enkele zin. Mijn vader ziet nu ook dat het met minder kan. De verplichte staalnames zijn mijn inziens zo slecht nog niet. Ze leren de telers kijken naar hun bodemvoorraad.”

Mechanische onkruidbestrijding stimuleert mineralisatie

Joost zweert bij mechanische onkruidbestrijding. In de jonge aanplantingen passeert hij wel zeven keer met een klein schoffelmachientje. De andere percelen worden, afhankelijk van het weer, jaarlijks zo’n tweemaal geschoffeld, tweemaal aangeaard en tweemaal gefreesd. Na de winter is er één herbicidenbehandeling nodig, een winterbespuiting zoals Joost zegt. Het rooiseizoen duurt nogal lang waardoor niet snel genoeg met de mechanische onkruidbestrijding kan worden gestart. “Aan de mechanische onkruidbestrijding is wel een serieuze meerkost verbonden ten opzichte van chemische onkruidbestrijding. Maar ik spuit mijn land niet dood. Ik ben er zeker van dat ik hier nog jaren bomen kan kweken op vruchtbare grond.”

Mechanische onkruidbestrijding heeft een positief neveneffect. Je brengt er zuurstof mee in de bodem, wat de mineralisatie stimuleert. “Maar in het najaar werkt dat dan weer tegen mij. Door de verhoogde mineralisatie is het nitraatresidu dan ook hoger. Als je je onkruid kapot spuit ligt de bodem er dood bij en is er minder mineralisatie.” Door een te hoog nitraatresidu kreeg Joost al eens een maatregelenpakket opgelegd. “Toen was ik wel gefrustreerd, want de VLM is niet eens komen kijken hoe ik te werk ga. Aangezien ik rijenbemesting toepas is het wel zeer belangrijk dat de staalnemer een degelijk mengstaal neemt van een perceel. Ik vind het dan ook jammer dat ze je niet altijd op tijd verwittigen waardoor je niet altijd aanwezig kan zijn wanneer de staalnemer komt.”

Eindigen doen we met een positieve noot. Het bedrijf was een focusbedrijf omdat meer dan de helft van de percelen in focusgebied lag. Maar door de staalnames heeft Joost kunnen aantonen dat hij zijn best doet en is het bedrijf een niet-focusbedrijf geworden. “Omdat ik mijn best doe”, benadrukt Joost. “Je gaat me niet horen zeggen dat ik goed bezig ben, want je hebt het nooit helemaal in de hand.”